Al sinds 1977 houdt dit bijzondere – en verontrustende – fenomeen oceaanonderzoekers wakker. Niet alleen het zeeleven, maar ook wij krijgen ermee te maken. In het water van de Stille Oceaan, ergens tussen Hawaii en Californië, drijft een van de meest in het oog springende symptomen van de huidige milieucrisis: de Grote Pacifische Vuilnisbelt (GPGP, zoals ze in de wetenschap zeggen). Een drijvende massa plastic, zo groot dat Frankrijk er drie keer in past — en Buenos Aires zelfs vijf keer. De Nederlandse kustwacht, vissers en beleidsmakers houden het dan ook angstvallig in de gaten.
De ontdekking was allesbehalve sensationeel: in 1977 meldde kapitein en oceanograaf Charles Moore tijdens een zeilwedstrijd voor het eerst dit ‘onzichtbare monster’.
De plasticsoep in de oceaan: een groeiend probleem waar experts (terecht) nerveus van worden.
Hoe de Pacific Garbage Patch een wereldwijde zorgenkind werd
Wie meteen een letterlijk drijvend eiland voor zich ziet zit ernaast — het is géén vaste grond. De ‘eiland’-metafoor werkt niet: de vuilnisbelt bestaat uit miljoenen losse stukjes plastic, die ronddrijven, samengedreven door de reusachtige draaikolken van de oceaan zelf.
Het meeste plastic komt gewoon van ons: wegwerpverpakkingen, visnetten die overboord geslagen zijn, spullen die je na een zomer op Scheveningen liever nooit meer in de zee had gezien. In de enorme zogeheten mariene gyres verzamelt het zich en vormt een val voor afval.
Volgens cijfers van The Ocean Cleanup gaat het om een gebied van zo’n 1,6 miljoen vierkante kilometer — een formaat dat je je bijna niet kunt voorstellen. In die zone drijven zo’n 1,8 biljoen (!) plasticdeeltjes, samen ruim 100.000 ton. Dat is dus veel groter dan de schattingen die we een paar jaar geleden nog voor waarheid hielden.
Veertig jaar later groeit de ‘plasticsoep’ sneller dan ooit, gevoed door alles van afgedankte visnetten tot onze eigen verpakkingen van Albert Heijn, Jumbo of Marqt. De vrachtschepen doen daar trouwens ook vrolijk aan mee – afval waaien overboord is tot vandaag een lastig te bestrijden praktijk.
Waarom dit niet alleen maar ‘een oceaanprobleem’ is
Overheden wringen zich in allerlei bochten, maar een praktische oplossing is er domweg nog niet. Intussen sijpelen de giftige stoffen uit plastics langzaam door in de voedselketen — dus wat in de vis zit, verdwijnt uiteindelijk ook op ons bord.
En het is niet alleen een milieukwestie: volgens berekeningen van Deloitte leidt plasticvervuiling in de oceaan tot jaarlijkse economische schade van €6 tot €17 miljard wereldwijd. Nederlandse bedrijven in toerisme, visserij en zelfs de schoonmaaksector merken het direct: minder vis, vuile stranden in regio’s als Zeeland — en een schoonmaak die nooit klaar lijkt te zijn.
Wat wij hier kunnen doen — begin vandaag nog
- Vermijd voor een week alle plastic wegwerpverpakkingen. Probeer kleine winkels op de hoek in plaats van grote ketens.
- Doe mee aan een lokale beach clean-up — de organisatie Stichting De Noordzee organiseert er regelmatig langs de Nederlandse kustlijn.
- Let wat kritischer op je afval. Gooi geen plastic op straat — dat belandt via sloten en rivieren zomaar in de Noordzee.
- Check thuis welke microplastics er in je schoonmaakmiddelen zitten en overstappen op alternatieven zonder plastic.
Zelfs als de oceaan ‘ver weg’ lijkt: de plasticsoep begint elke dag gewoon bij ons eigen afvalbakje. Elk stukje besparing — hoe klein ook — telt.